Als je vaak bezig bent met planten, merk je snel dat ze een wereld op zich vormen. Ze kunnen dan wel geen stap verzetten, maar reageren voortdurend op hun omgeving. Ze meten licht, voelen aanrakingen, herkennen de seizoenen en communiceren met insecten op manieren die wij nauwelijks opmerken.
Dit zijn tien verrassende plantenweetjes die je waarschijnlijk nog niet kende.
1. Planten hebben een soort geheugen
Het klinkt wat ongelooflijk, maar biologen spreken wel degelijk over een plantengeheugen. Niet zoals wij herinneringen kunnen opslaan, maar als het vermogen om eerdere ervaringen te gebruiken voor toekomstige reacties.
Veel planten 'onthouden' bijvoorbeeld de winter. Of toch dat ze wekenlang een koude periode hebben meegemaakt en dus beter pas in het voorjaar beginnen groeien. Dat voorkomt dat ze tijdens een zachte januariperiode al zouden uitlopen om vervolgens kapot te vriezen.
Ook droogtestress kan een plant als het ware voorbereiden op een volgende droge periode. Onderzoekers noemen dat stress memory: bepaalde genen reageren sneller wanneer diezelfde stress later opnieuw optreedt.
Eigenlijk is een plant dus voortdurend aan het leren van haar omgeving, alleen gebeurt dat via chemische signalen en veranderingen in de activiteit van genen, niet via een brein.
2. Sommige zaden hebben de winter nodig
Heb je ooit een zaadje proberen zaaien dat maar niet wilde kiemen? Dan lag dat misschien niet aan jou, maar aan het soort kiemer.
Naast licht- en donkerkiemers, die respectievelijk wel of geen zonlicht nodig hebben om te kiemen, bestaan er ook koudekiemers. Voorbeelden daarvan zijn ridderspoor (Delphinium) en akelei (Aquilegia). Die zaden blijven in rust tot ze enkele weken koude hebben doorstaan. Pas daarna worden de kiemremmende stoffen afgebroken en kan het zaad ontkiemen.
Dat proces heet stratificatie en is niet meer of minder dan een slimme overlevingsstrategie. Zonder die ingebouwde beveiliging zouden zaden al ontkiemen tijdens een warme periode in het najaar, waarna de jonge plantjes de eerste vorst niet zouden overleven.
3. Niet alle bloemen staan de hele dag open
Misschien heb je het al opgemerkt bij tulpen, klaprozen of Oost-Indische kers: tegen de avond sluiten de bloemen zich weer. Dat verschijnsel heet nyctinastie.
Lange tijd dachten mensen dat bloemen gewoon gingen 'slapen'. Vandaag weten we dat het verhaal iets complexer is. Bij sommige soorten beschermt het gesloten bloemblad het stuifmeel tegen regen, dauw of afkoeling tijdens de nacht. Andere bloemen houden zo de temperatuur rond hun voortplantingsorganen beter op peil.
Er bestaan ook planten die precies het omgekeerde doen. Nachtschone (Mirabilis jalapa) opent haar bloemen pas in de vooravond en verspreidt dan een krachtige zoete geur. Dat is geen toeval: haar belangrijkste bestuivers zijn nachtvlinders, die pas vanaf de schemering actief worden. Overdag blijven de bloemen gesloten, omdat er nauwelijks geschikte bestuivers langskomen.
Bloemen stemmen hun openingsuren dus af op hun omgeving en openen wanneer hun favoriete bestuivers op pad zijn.
4. Sommige planten ruiken pas als je ze aanraakt
Waarom ruikt een lavendelstruik soms nauwelijks, terwijl je na één lichte aanraking plots een heerlijke geurwolk krijgt? Dat komt doordat veel planten geurstoffen opslaan in kleine olieklieren of haartjes. Zodra je over het blad wrijft, komen die vluchtige stoffen vrij.
Die geuren zijn niet alleen bedoeld voor ons. Ze kunnen insecten aantrekken, maar ook planteneters afschrikken of zelfs andere planten waarschuwen dat er gevaar dreigt. Denk aan lavendel, rozemarijn, salie of citroenverbena. Hun geur is eigenlijk onderdeel van hun verdedigingssysteem.
5. Bloemen wijzen insecten de weg
Wat wij zien als een egaal geel of wit bloemblaadje, ziet een bij helemaal anders. Veel bloemen hebben namelijk nectargidsen: patronen die ultraviolet licht weerkaatsen. Mensen kunnen die niet zien, maar bestuivers wel. Voor hen lijken die patronen op landingsbanen die precies aanwijzen waar nectar en stuifmeel te vinden zijn.
Zo zijn de vlekjes op vingerhoedskruid ook nectargidsen: de donkere stipjes leiden bijen als het ware de bloem in, langs de meeldraden en stamper. Ook een boterbloem of zonnebloem is voor een bij geen simpele, gele bloem, maar eerder een verzameling fluorescerende pijltjes die naar het midden wijzen. Dat maakt de bestuiving veel efficiënter, zowel voor plant als insect.
6.Planten kennen boven en onder
Zelfs wanneer je een bloempot omdraait, groeit de stengel uiteindelijk weer omhoog en de wortels opnieuw naar beneden. Hoe komt dat? Planten beschikken over gespecialiseerde cellen met kleine zetmeelkorrels. Die zakken onder invloed van de zwaartekracht naar beneden en functioneren als een soort intern waterpasje. Op basis daarvan sturen groeihormonen de richting van de groei bij, waardoor wortels naar beneden groeien en stengels opnieuw omhoog.
Dat proces heet gravitropisme. Dankzij dat ingebouwde kompas weet een plant altijd welke richting ze uit moet groeien, zelfs als een pot omvalt of een zaailing ondersteboven terechtkomt.
7. Planten meten de lengte van de dag
Veel mensen denken dat planten voornamelijk reageren op temperatuur. Dat klopt maar gedeeltelijk: voor veel soorten zijn de lengte van dag en nacht de belangrijkste kalender. Dat is voor hen een belangrijk signaal om te bepalen wanneer het tijd is om te groeien, bloeien of in rust te gaan.
Bij veel bloeiende planten blijkt vooral de lengte van de nacht doorslaggevend te zijn. Daardoor weten chrysanten bijvoorbeeld dat het najaar nadert, terwijl narcissen hun ontwikkeling al maanden op voorhand beginnen voorbereiden.
Planten hebben dus geen kalender nodig. Ze volgen het ritme van de seizoenen.
8. De echte magie gebeurt onder de grond
Onder de grond gebeurt minstens evenveel als erboven. Wortels groeien niet zomaar alle kanten uit. Ze reageren op vocht, voedingsstoffen, zuurstof en obstakels in de bodem. Ze maken bovendien alleen extra wortels waar dat ook iets oplevert. In voedselarme grond wordt het wortelstelsel vaak veel uitgebreider dan in een rijke bodem.
Onderweg vertakken wortels zich voortdurend. Ze zoeken naar de meest interessante plekjes in de bodem, waar voldoende water en voedingsstoffen beschikbaar zijn. Tegelijk geven ze allerlei stoffen af die het bodemleven voeden en beïnvloeden.
Een plant is dus voortdurend haar omgeving aan het verkennen, ook onzichtbaar onder onze voeten.
9. Bloemen kunnen van kleur veranderen
Bloemen kunnen van kleur veranderen naarmate ze verouderen, bijvoorbeeld door wat valer of lichter te worden. Bij sommige soorten betekent een kleurverandering echter dat de bloem al bestoven is. Voor insecten is dat bijzonder handige informatie. Want waarom zouden ze tijd verliezen aan een bloem waar nauwelijks nog nectar te vinden is?
Longkruid (Pulmonaria) is een mooi voorbeeld van dat fenomeen. De bloemen openen roze en verkleuren daarna naar blauw. Bestuivers kunnen daardoor veel sneller de 'verse' bloemen onderscheiden. Zo verspillen zowel plant als insect minder energie.
10. Planten die praten
Kunnen planten met elkaar praten? Niet zoals wij, maar onderzoekers weten wel dat planten voortdurend chemische signalen uitsturen en daarop reageren. Wanneer een plant bijvoorbeeld wordt aangevreten door een rups, kan ze geurstoffen vrijgeven die roofinsecten aantrekken. Sommige onderzoeken tonen aan dat de naburige planten daardoor sneller hun eigen afweer activeren.
Onder de grond spelen schimmels en wortels dan weer een belangrijke rol. De wetenschap onderzoekt nog volop in hoeverre planten ook informatie uitwisselen via dat ondergrondse netwerk.
Eén ding staat wel vast: een tuin is veel meer dan een verzameling losse planten. Boven- én ondergronds beïnvloeden ze elkaar voortdurend.